A. De Franse Tijd (1794 - 1815)In 1792 werden de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik door troepen van de Franse Republiek veroverd. Het volgende jaar werden zij echter door de Oostenrijkers opnieuw verdreven. Een nieuwe, Franse, militaire campagne verdreef de Oostenrijkers definitief. De ingelijfde gebieden kregen dezelfde republikeinse wetten en instellingen als in Frankrijk. Toen Napoleon aan de macht kwam, ging België deel uitmaken van het Franse Keizerrijk. Hij voerde een nieuw systeem van burgerlijk recht in. Het nieuwe burgerlijke wetboek werd de Napoleontische Codex genoemd en het vormde de basis van het latere Belgische burgerlijke wetboek.
Tijdens het Franse tijdvak startte de Industriële Revolutie in België. Vanuit Groot-Brittannië werden er stoommachines naar België gesmokkeld. Er werden fabrieken opgericht, soms met de hulp van Britse immigranten. Wallonië werd de meest geïndustrialiseerde regio op het Europese vasteland. Gent was de enige industriestad in Vlaanderen. De haven van Antwerpen profiteerde van de Franse bezetting, omdat de Nederlandse blokkade werd opgeheven.
De Franse regering voerde de dienstplicht in. Vele Belgen werden aldus gedwongen om te vechten in de Napoleontische legers. Van politieke vrijheid was er onder Napoleon geen sprake. In Vlaanderen werd het Nederlands onderdrukt en publicaties in die taal waren verboden.
De nederlaag van Napoleon in 1815 te Waterloo maakte een einde aan het Franse bewind.
De Industriële Revolutie
De Belgische industrie zou in de Franse periode een sterke ontwikkeling kennen. De Industriële Revolutie, die in Engeland in het midden van de 18de eeuw was gestart, zou nu ook in België voet aan de grond krijgen, alhoewel zij grotendeels beperkt bleef tot Wallonië. Zij wordt gekenmerkt door een mechanisering van de industrie dankzij de ontwikkeling van de stoommachine. De handenarbeid werd overgenomen door de machines, die met stoomkracht werden aangedreven. De technische kennis kwam naar België dankzij Engelse immigranten (Cockerill) of via de smokkel van machines (Bauwens). Vanaf 1800 leverde de Engelsman William Cockerill, die zich in Verviers had gevestigd, machines aan de plaatselijke lakennijverheid. Dit was de aanzet tot de volledige mechanisering van de Vervierse Wolindustrie. Op hetzelfde ogenblik richtte Lieven Bauwens in Gent een mechanische spinnerij en weverij op voor katoen. Dankzij de gemechaniseerde katoenindustrie werd Gent de eerste en tot het einde van de XIXde eeuw de enige geïndustrialiseerde stad in Vlaanderen. Reeds kort voor de Franse Revolutie werden de Waalse mijnen ontgonnen met behulp van stoommachines. In 1803 werd de transportband in gebruik genomen in Quaregnon. Dankzij verscheidene nieuwe technologieën ging de mijnbouw in de Borinage, Luik en het Centre met rasse schreden vooruit en dat gaf aanleiding tot een alsmaar toenemende productie. Tegen 1810 produceerde Henegouwen meer dan 1 miljoen ton steenkool per jaar. Om de machines te bouwen was veel ijzer nodig, hetgeen dan weer de metaalnijverheid een krachtige impuls gaf. De provincies Luik, Henegouwen en Namen leverden bijna een vierde van het gietijzer in het gehele Franse Keizerrijk. De wapenindustrie in de stad Luik was zeer belangrijk. In de provincie Luik kende de productie van plaatijzer een sterke groei. Er onstonden ook nieuwe industrieën, waaronder de fabricatie van staal, blik en zink. Wallonië werd zodoende het eerste geïndustrialiseerde gewest op het Continent.
De industriëlen kregen veel ondersteuning van de Franse regering. Zo werden de beroepsgilden, waarin arbeiders uit een bepaalde sector zich verenigden, verboden, evenals de landloperij, waardoor er een groot potentieel aan arbeidskrachten beschikbaar werd. Vele inbeslag genomen kerkelijke goederen werden tegen gunstige prijzen aan industriëlen verkocht. Lieven Bauwens richtte zijn eerste fabrieken op in een kartuizer- en in een Norbertijnenklooster. De sterke ontwikkeling van de industrie was slechts mogelijk omdat er voor de ondernemers een gunstige afzetmarkt voor handen was. De oorlog met Engeland en de Continentale blokkade deden de Engelse concurrentie verdwijnen. De inlijving bij Frankrijk had voor gevolg dat de gehele Franse markt open stond voor de Belgische producten. Ten slotte moest het Franse leger omwille van de vele oorlogen vaak opnieuw worden uitgerust.
De blokkade had ook nadelen, die zich vanaf 1810 deden voelen. De aanvoer van grondstoffen was moeilijk en de afzet bleef tenslotte beperkt tot het weliswaar grote Frankrijk. Er onstond een economische crisis, die nog versterkt werd door de ondergang van het Napoleontisch regime. Dit leidde ertoe, dat vele industriëlen, waaronder Lieven Bauwens, tegen het einde van het Frans bewind failliet gingen.
B. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815 - 1830)
Na de nederlaag van Napoleon beslisten de geallieerden op het Congres van Wenen om een bufferstaat tegen Frankrijk op te richten. Zij verenigde de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik in één staat: het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Aan het hoofd ervan kwam Willem I van Oranje.
Willem I stimuleerde de industrialisering van België. Hij steunde de gemechaniseerde industrie, verbeterde de transportinfrastructuur en zorgde voor financiële steun aan ondernemers. De grote Waalse en Gentse industriëlen steunden zijn beleid. De niet-gemechaniseerde plattelandsindustrie in Vlaanderen leed sterk onder de concurrentie van de grote fabrieken, hetgeen leidde tot ontevredenheid.
De katholieke kerk steunde de oppositie op het platteland, omdat zij weigerde een protestantse vorst te aanvaarden. Daarenboven probeerde Willem I de kerkelijke macht aan banden te leggen, hetgeen haar wantrouwen nog versterkte.
Op politiek vlak was de Koning autoritair. De liberalen vroegen een regering met verantwoordelijke ministers, maar de Koning weigerde. In Vlaanderen wilde Willem I het Nederlands als officiële taal opleggen. De jonge Waalse en verfranste Vlaamse bovenklassen vreesden voor hun carrièremogelijkheden en waren misnoegd.
In 1828 sloten katholieken en jonge liberalen een verbond met een gemeenschappelijk programma. In het Zuiden liepen de spanningen zo hoog op, dat het zich afscheurde van het Noorden en een eigen onafhankelijke Belgische staat oprichtte.
Willem I: koning der Verenigde Nederlanden
Willem I (1772-1843), prins van Oranje-Nassau, was koning van Nederland (1814-1840) en groothertog van Luxemburg (1814-1840). Hij wilde de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden verenigen. Hij werd in dit opzet gesteund door Engeland, dat aan de noordgrens van Frankrijk een sterke bufferstaat wenste.
Tijdens de vredesconferentie van Parijs (maart 1814) werd aan zijn wensen gehoor gegeven. Het hertogdom Luxemburg was een vergoeding voor het verlies van de Duitse bezittingen van de Oranje-dynastie (Congres van Wenen 1815). Er doken al snel meningsverschillen op tussen België en Willem I. Er was oppositie tegen de nieuwe grondwet van 1815, tegen de gelijkberechtiging van de godsdiensten en tegen het gebrek aan ministeriële verantwoordelijkheid. Deze spanningen zetten de koning er toe aan, om te regeren als een "Verlicht Despoot". De Staten-Generaal kwamen zelden bijeen en naarmate de tijd vorderde regeerde de koning vooral via Koninklijke Besluiten.
Op economisch vlak stimuleerde Willem I de handel, de scheepvaart en de industrie, vooral via de aanleg van kanalen en de oprichting van instellingen, zoals de "Nederlandsche Bank" (1814) en de "Agemeene Maatschappij voor Volksvlijt" te Brussel (1822). Hij probeerde ook een samenwerking tot stand te brengen tussen de Belgische zware industrie en de grote Nederlandse handelshuizen.
Zijn kerkelijke- en onderwijspolitiek veroorzaakten een groot ongenoegen, vooral omwille van de politieke vorming van priesters (oprichting van Filosofisch College in Leuven in 1825) en door zijn vervolging van dissidenten.
Wanneer hij de pers begon te censureren, sloten de liberalen zich aan bij het verzet van de katholieken en zij vormden in 1828 samen het "Unionisme". In 1830 brak de revolutie uit, die leidde tot de splitsing van Noord en Zuid volgens het Verdrag der XXIV Artikelen, dat in Londen werd gesloten (15 oktober 1831).