A. Oude en Midden Steentijd(800.000 - 5000 v.C.)
De Oude Steentijd neemt een aanvang op het moment dat de mens werktuigen begon te vervaardigen uit vuursteen. In dit tijdvak wisselden koude en warme periodes elkaar af. Tijdens de laatste ijstijd reikte de ijskap tot Midden-Nederland. België situeerde zich dus net ten zuiden van dat ijs. Het oudste spoor van menselijke aanwezigheid in België werd gevonden in Hallembaye (provincie Luik). Daar werd een zeer primitief werktuig in vuursteen aangetroffen dat ongeveer 800,000 j aar oud is.
Rond 400.000 v.C. namen mensen hun intrek in de grotten van het Maasgebied. Zij beheersten op dat moment reeds de techniek van het maken van vuur. Hun gereedschap bestond uit ronde vuurstenen met een snijkant. Later werden beide kanten van de steen bewerkt. Hieruit ontstond dan de tweezijdige vuistbijl. Geleidelijk aan werd de steenbewerking nauwkeuriger. Vanaf 250.000 v. C. ging de mens zuiniger om met zijn grondstof. Hij bewerkte de kern van de steen dusdanig dat de schilfers direct de juiste vorm hadden. Uit deze schilfers werden dan verschillende werktuigen gemaakt, zoals schrapers voor het villen van dierenhuiden.
Tussen 250.000 en 35.000 v. C. werd België bewoond door de Neanderthaler. Zijn overblijfselen werden gevonden in de provincies Luik (Engis, Fond-de-Forêt ) en Namen (Hulsonniaux, Spy). Hij eerde zijn doden met rituelen, hetgeen wijst op een geloof in een leven na de dood. De Neanderthaler verdween vrij plots rond 35.000 v. C. In zijn plaats kwam de huidige mens.
Vanaf 30. 000 v. C. begon de mens zichzelf op te smukken. Hij versierde zijn lichaam met kralen uit been, dierentanden en parels. Hij smeerde zich ook in met ijzeroxide om er mooier uit te zien. Rond 25.000 v. C . verschenen de eerste beeldjes. Zij stellen vrouwen voor met dikke buiken, grote dijen en neerhangende borsten. Deze voorwerpen werden vooral aangewend bij vruchtbaarheidsriten. Daarnaast graveerde de mens ook afbeeldingen (vooral dieren) op stenen platen.
Het gereedschap van de mens werd steeds verfijnder. Naast stenen gebruikte hij nu ook beenderen. Hij maakte hiermee werpspiesen, harpoenen met weerhaken en oognaalden uit been (15.000 v.C.).
In de Oude Steentijd leefde men vooral van de jacht op groot wild (paarden, mammoeten, wolharige neushoorns en rendieren. De dieren werden bejaagd voor hun vlees, maar ook voor hun huid. Mammoetbeenderen werden gebruikt voor de bouw van hutten of als geraamte van tenten.
Vanaf 9000 v. C. spreekt men van de Midden Steentijd. De ijstijd was voorbij. De begroeiing veranderde en het land werd stilaan bebost. België werd bevolkt door kleinere dieren, zoals herten, runderen en paarden. De jachttechnieken werden aan de nieuwe soorten aangepast. Zo was de handboog een belangrijke verbetering. Het menu van de mensen bestond niet meer uitsluitend uit vlees, maar werd aangevuld met allerlei bestanddelen, die werden gevonden in de natuur, zoals bessen. Ook de visvangst kende een grote bloei. De mens gebruikte naast de harpoenen en haken ook netten uit schors. Kenmerkend voor de Midden Steentijd zijn de kleine stukjes geslepen vuursteentjes. Zij werden gebruikt om groter gereedschap fijner af te werken. Zodoende vervaardigde de mens betere werktuigen, zoals bijlen en bijtels. Voor het eerst in de geschiedenis was de mens daardoor in staat om het uitzicht van het landschap te wijzigen. Uit sporen blijkt immers duidelijk dat er vanaf 7.000 v. C. systematisch bossen werden gerooid.
B. Nieuwe Steentijd
(5000 - 2200 v.C.)
Vanaf 5.000 v. C. begonnen de mensen in België met het temmen van dieren. Schapen, geiten, runderen en varkens werden voortaan als vee gehouden. Het land werd bewerkt en gewassen werden gezaaid en geoogst. Zo ontstond de landbouw. Het vee en de akkers zorgden voor een meer verzekerde voedselvoorziening dan de vroegere wisselvallige jacht.
De landbouw dwong de mensen óm ter plaatse te blijven wonen. Zij gingen er dan ook toe over om hutten en hoeven te bouwen. Tussen 5.000 en 3.000 v. C. waren het grote gebouwen van wel 30 meter lang. Zij bestonden uit klei en hout. De woning was onderverdeeld in een gedeelte voor de bewoners en een gedeelte voor het vee. Dieren en mensen zaten dus samen onder een dak. Vanaf 3000. v. C. veranderden de woningen: zij werden kleiner, ongeveer 11 op 4,5 meter. Het vee werd buitenshuis gehouden. De dorpen kregen rond dat tijdstip ook een aarden omwalling, waaruit de wil blijkt om zijn bezit te verdedigen. Deze periode werd gekenmerkt door verschillende golven van immigratie, die telkens een andere levenswijze met zich brachten.
In de Nieuwe Steentijd gingen de volkeren actief op zoek naar grondstoffen, die dan ontgonnen werden. Zij begonnen dus aan mijnbouw te doen. In Spiennes (provincie Henegouwen) bevindt zich een silexmijn (silex is vuursteen), met schachten tot 20 m, waarin de vuurstenen werden uitgehouwen. Deze stenen moesten naar de gebruikers worden gebracht. Dit gaf aanleiding tot de ontwikkeling van een bescheiden handel.
Om het voedsel te verzamelen en te bewaren, vervaardigden de mensen aarden potten. Die werden versierd met allerlei bandwerkmotieven. De verschillende volken onderscheidden zich onder meer door hun manier van begraven. Er bestonden verschillende rituelen. Bij de ene stam werden de afgestorvenen individueel begraven, bij de andere werden zij in een massagraf gelegd. De massagraven werden soms afgezet met enorme stenen, dolmen genoemd, zoals bijvoorbeeld in Wéris (provincie Luxemburg). Ook elders in Luxemburg, Namen en Henegouwen werden zulke graven gevonden.
C. Brons- en Ijzertijd
(2200 - 57 v. C.)
De eerste metalen voorwerpen in België dateren van 2.200 v. C. Het zijn dolken en platte bijlen. Zij werden vervaardigd uit koper en waren niet doeltreffend. Zij werden vooral gebruikt als prestigevoorwerpen. De eerste gouden juwelen, die ook uit deze periode stammen, hadden dezelfde functie. Rond 1.750 v. C . beheerste men in België de techniek van het bronsgieten. Het metaal werd gebruikt voor het vervaardigen van wapens, maar ook van juwelen, spelden en naalden. Brons bleef echter een schaars product. Bij een vijandige dreiging verborgen de bezitters vaak hun bronzen voorwerpen in een geheime bergplaats. Het brons werd ook een belangrijk handelsproduct. Het toenemende handelsverkeer gaf aanleiding tot culturele uitwisselingen. Door contacten met Zuid-Engeland ging de bevolking ertoe over om de lichamen van de afgestorvenen te verbranden. Hun as werd verzameld in potten, urnen genaamd.
Vanaf de VIIIste eeuw voor Christus kregen de volkeren van West-Europa de ijzerbewerking onder de knie. De ijzertechniek werd ingevoerd door krijgers afkomstig uit Oostenrijk. Deze soldaten maakten zwaarden en beschermden hun lichaam met ijzeren borstplaten. Hun cultuur wordt Hallstatt-cultuur genoemd. Zij werd gekenmerkt door een sterk sociaal onderscheid. De opperklasse was oorlogszuchtig en de graven van haar leden werden rijkelijk gedecoreerd. De gewone lieden daarentegen werden zeer eenvoudig begraven. De voorwerpen uit de Hallstatt-cultuur werden voornamelijk versierd met geometrische motieven.
Vanaf ongeveer 500 v. C. maakt deze cultuur plaats voor een andere, de "La Tene"-cultuur. Artistiek uitte zich dit door het afbeelden van gestileerde mensen- en dierenhoofden. België werd op dat moment bewoond door de Kelten. Die onderhielden handelsbetrekkingen met de Mediterrane wereld en vooral met de Etrusken. Dit laatste volk leverde op zijn beurt wijn, vaatwerk en luxeproducten aan de Kelten. De Kelten bouwden versterkte burchten, die meestal enkel een defensieve bedoeling hadden. Sommige nederzettingen vormden echte stedelijke centra, waar de Kelten hun rijkdommen en hun nijverheid concentreerden. Vanaf 150 v. C. werden in de Belgische gebieden de eerste Keltische munten geslagen. Zij waren gebaseerd op Griekse en Macedonische voorbeelden. De Kelten pasten de afbeeldingen van Griekse goden of van Macedonische koningen echter al gauw aan hun eigen wereldbeeld aan. Het Keltische geld wijst op een stevige integratie van de Keltische gebieden in de economie van de Oudheid.
De Kelten kenden een sociale hiërarchie. De aristocratie, bestaande uit grootgrondbezitters, had de leiding. Het koningschap werd geleidelijk aan afgeschaft ten voordele van een raad van ouden, waarin de notabelen zitting hadden. Deze raad verkoos de voornaamste magistraten en in tijden van oorlog een militaire chef. Elke notabele had een schare gewapende mannen en dichters, die van hem afhankelijk waren via een systeem van "cliëntelisme". Deze soldaten en barden maakten samen met de druïden en ambachtslieden ook deel uit van de aristocratie.
Het merendeel van de bevolking bestond echter uit boeren, die in dienst stonden van de grootgrondbezitters. De laagste klasse werd gevormd door de slaven. Dit waren meestal krijgsgevangenen of slachtoffers van razzia's, die veelvuldig werden gehouden. De landbouwtechnieken waren tegen het einde van de Ijzertijd meer geavanceerd. De aarde werd bewerkt met behulp van een ploeg met een ploegschaar en een rister. Deze ploeg werd getrokken door ossen en kon diep in de zware grond doordringen. De nieuwe technieken zorgden ervoor, dat het leven van de Kelten in de eerste eeuw voor Christus minder zorgwekkend was dan het leven in de Bronstijd.
De druïden, barden en waarzeggers vormden een aparte kaste van godsdienaars met grote geestelijke maar ook wereldlijke macht. Zo waren zij naast priester ook rechter. De druïden voerden veel rituelen uit en deden voorspellingen. Zij brachten hierbij meestal dieren- en mensenoffers. De Kelten geloofden in de onvergankelijkheid van de ziel en in de wedergeboorte.
De verovering van Gallië door Caesar maakte een einde aan de Ijzertijd in België.
D. Oudheid
(57 v. C. - 400 n. C.)
In 57 v. C. veroverde de Romeinse veldheer en politicus Julius Caesar Gallië, het land van de Kelten. De bewoners van het noordelijk deel worden door hem Belgae (Belgen) genoemd. Die Belgen boden hevig weerstand en weigerden zich zo maar te onderwerpen. Dit leidde tot een ware volkerenmoord op sommige stammen, zoals op de Eburonen en op de Aduatucen. In hun gebieden kwamen zich naderhand met toestemming van de Romeinen Germaanse stammen vestigen. Noord-Gallië was belangrijk voor de Romeinen, omdat de Rijn de grens vormde van het Romeinse Rijk met de Germaanse gebieden. Administratief viel het huidige België eerst onder de provincie Gallia Belgica, later maakte het deel uit van de provincies Belgica Prima, Belgica Secunda en Germania Inferior. Deze provincies werden verder ingedeeld in civitates, districten, die min of meer met de stamgrenzen overeenkwamen. Er werden een uitgebreid wegennet aangelegd en havens gebouwd (Boulogne). Die constructies hadden militaire doeleinden, om snel troepen naar de Rijn te kunnen sturen en om via een vloot de bedreigingen van overzee te weren, maar zij bevorderden evenzeer de handel. De Pax Romana, de Romeinse vrede, was zeer gunstig voor de economie. De producten werden vervoerd langs de nieuwe wegen maar ook over zee en via de rivieren. Langs de Romeinse heirbanen ontstonden kleinere handelsplaatsen, die steunden op lokale ambachten. Echte steden waren er weinig, alleen Tongeren, Doornik en Aarlen verdienden die naam. De metallurgie - ijzer- en bronsbewerking - was reeds voor de komst van de Romeinen sterk ontwikkeld tussen Samber en Maas en in de Ardennen. Ook de keramiek en emailleerkunst stonden reeds op een hoog niveau. In de Romeinse tijd doken er nieuwe op. De glasblazers van Zuid-België bijvoorbeeld werden sterke concurrenten voor hun collega's in Noord-Italië.
Niet alleen de Gallische industriële producten lagen goed in de markt. Het gebied voerde ook landbouwproducten uit naar Italië. Lekkernijen zoals oesters, ham en ganzelever waren aldaar zeer gegeerd. Het graan werd verkocht aan de Rijnlegioenen. De Belgische gebieden waren overwegend agrarisch. Via de Romeinen kwamen nieuwe landbouwtechnieken naar het noorden, maar de Kelten van hun kant leerden de Romeinen de maaimachine kennen. De Romeinse landbouwhervormingen leidden tot een grotere productie. De landbouw geschiedde op domeinen, villae genoemd. Zij konden variëren van een klein stuk grond met een eenvoudig gebouw tot een groot gebied met vele slaven en pachters. Meestal bevonden er zich op deze grote domeinen ateliers, maar ook baden. De hoofdgebouwen waren normaliter van steen, maar in Noord-België gold dit alleen voor de fundering, de rest van de constructie was van hout. Het gebouw was langwerpig, voorafgegaan door een zuilengalerij en geflankeerd door bogen.
Sociaal kwam er een vermenging tot stand tussen de oorspronkelijke bevolking, inwijkelingen en Romeinse soldaten. De Gallische aristocratie bestuurde de civitates. Zij paste zich aan aan de Romeinse levensstijl, die luxueuser was dan de Keltische.
Op godsdienstig gebied werd de macht van de druïden sterk ingeperkt, omdat zij de verdedigers waren van het Gallische particularisme. Hun offerpraktijken werden verboden. De Keltische goden werden langzaamaan met de Romeinse gelijkgesteld en geromaniseerd. Op het einde van de tweede eeuw werden de Oosterse godsdiensten ook in de Lage Landen populair.
Vanaf de derde eeuw ging het bergaf. Er dook een economische crisis op en de munt werd gedevalueerd. Het grootgrondbezit nam toe. De gronden werden meer en meer bewerkt door horigen of pachters in plaats van door slaven. De Germanen, die zich twee eeuwen koest hadden gehouden begonnen opnieuw het Romeinse Rijk te bedreigen. Door hun voortdurende aanvallen werden de wegen onveilig en de economie ging nog meer achteruit. De gewone pachters werden hiervan het slachtoffer en zij kwamen in grote moeilijkheden. De industriële activiteit nam sterk af door een gebrek aan afzetgebieden.